Bezit van reisverklaring en plaatsbewijzen is noodzakelijk voor reisaftrek
Als een werknemer regelmatige van zijn woning naar zijn werk reist met het openbaar vervoer bestaat onder voorwaarden recht op de reisaftrek. De reisaftrek bedraagt over 2010 maximaal € 1.889. Dat maximum wordt bereikt bij een enkele reisafstand van 80 kilometer of meer waarbij 4 dagen of meer per week naar het werk wordt gereisd. Als minder dan 4 dagen per week wordt gereisd, wordt ¾, ½ of ¼ van het maximumbedrag in aanmerking genomen. Wil de reisaftrek van toepassing zijn, moet regelmatig worden gereisd tussen de woning en het werk. Hiervan is sprake als
De werknemer ten minste eenmaal per week van de woning naar het werk gaat met het openbaar vervoer en waarbij hij binnen 24 uur zowel heen als terug reist. Er is ook sprake van regelmatig woon-werkverkeer als in een kalenderjaar minimaal 40 keer heen en weer wordt gereisd. Als met het openbaar vervoer minder dan 10 kilometer enkele reis wordt afgelegd, is de reisaftrek niet van toepassing. Verder is het voor de reisaftrek van belang dat de afgelegde reisafstand blijkt uit een openbaarvervoerverklaring of een door de werkgever afgegeven reisverklaring. Tevens is van belang dat de plaatsbewijzen worden bewaard. De inspecteur kan daar namelijk om vragen. De Hoge Raad besliste onlangs dat voor het met succes claimen van de reisaftrek het noodzakelijk is dat de belastingplichtige over de plaatsbewijzen beschikt. Zijn die plaatsbewijzen er niet dan mag de inspecteur de reisaftrek weigeren. Het regelmatig reizen kan dus niet op een andere manier worden aangetoond. Het aan de inspecteur verstrekken van bankafschriften waarop de pinbetalingen voor de openbaarvervoerkaartjes staat vermeld, geldt volgens de Hoge Raad niet als bewijs.
Overzicht laatste nieuws

